Zo lang ik het me kan heugen heb ik er altijd wat mee gehad: De oorlog, het herdenken en het vieren van het leven.
Het begon denk ik met het geluid van de helikopter wieken, de piano en de tekst van ‘Goodnight Saigon’ toen ik negen jaar was. Zonder dat ik daar toen zo bewust van was, ging dit nummer ging voor mij ergens over. Ik kreeg er toen al tranende ogen van en moest dan denken aan mijn Opa Jan, van moeders kant, die nog niet zo lang overleden was. Met de woorden van nu zou ik zeggen dat het voor mij gaat over vrienden, over volhouden en over verlies. En nog steeds hoef ik de eerste tonen en woorden maar te horen en ik schiet vol…
Later volgden de boeken en films, natuurlijk geromantiseerd, maar toch…Van Oorlogswinter tot La Vita è Bella en nog vele andere ontroerende verhalen. Natuurlijk vol van universele elementen die menigeen niet onberoerd laten, maar voor mij altijd ook gekoppeld een gevoel van essentie en nabijheid.
En werd in mijn studenten tijd werd de jaarlijkse dodenherdenking op het Stadhuisplein in Rotterdam tot een vast ritueel om mij tijdens de minuut stilte en het leggen van de kransen samen met de andere aanwezigen verbonden te voelen. Verbonden met de onbekende gevallenen en met mijn eigen naasten. En dan kwam vooral ook mijn andere grootvader, Opa Gradje, voorbij, die aan het begin van mijn studententijd overleed.
Van hem wist ik toen al wel dat hij in mei 1940 tegen de Duitsers gevochten had, maar veel meer dan dat was mij daar toen niet over bekend. Zoals velen wilde hij liever niet over de oorlog praten. En ook over andere emotionele onderwerpen was het naar verluidt niet zo’n prater. “Gewon Durajeme…” stond er dan ook als veelzeggende lijfspreuk op zijn rouwkaart.
De interesse voor en de verbinding met de oorlog en het herdenken bleef en kreeg jaren later een nieuwe impuls toen ik me op een volgende laag ging verdiepen in de ‘systemische geschiedenis’ van mijn familie. Naast andere patronen en parels die ik eerder al had ontdekt en -soms met de nodige moeite- omarmde, waren die opa’s en de oorlog wonderwel de dans grotendeels ontsprongen. Maar nu werd ik getriggerd ook in dit stuk verder te onderzoeken.
Ik wist van mijn vader dat er in de familie nog een kist of doos moest zijn met o.a. foto’s uit de oorlogstijd. Die vond ik bij een tante en zo leerde ik dat mijn opa op in het voorjaar van 1940 in Wessem aan de Maas gelegerd was. Met die wetenschap vond ik in online archieven dat hij bij de derde compagnie van het zeven ende grensbataljon (3-17 GB) zat en vond ik een uitgebreid verslag van alle gevechtshandelingen in en om Wessem op de vroege ochtend van 10 mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen.
Daarin las ik o.a. dat sergeant Gerard Dousi rond 7 uur ’s morgens bevel kreeg om vanuit kazemat B4 met zijn groep van 10 soldaten het vuur te openen op het geschut aan de overzijde en op de aanstormende vijand.
Met zijn mannen hield hij onder zware artilleriebeschietingen uren stand. Tot ook zij zich richting het einde van de ochtend gewonnen moesten geven.
Dat een van zijn jongens in het gevecht sneuvelde heeft daarbij volgens mijn tante grote indruk gemaakt. Al had het natuurlijk voor de groep nog veel erger kunnen zijn; de eerstvolgende kazemat was toen al lang door een voltreffer geraakt en volledig uitgeschakeld met diverse doden als gevolg.
Opa werd afgevoerd als krijgsgevangene naar kamp Neubrandenburg waar hij naar verluidt redelijk goed is behandeld. Hoewel het natuurlijk allesbehalve een pretje was, waren de omstandigheden daar toen stukken beter dan in de latere concentratiekampen. En na aantal weken mocht hij terugkeren naar Nederland.
Enige tijd na mijn ontdekkingen over deze opa vertelde ik dit verhaal min of meer bij toeval aan een broer van mijn moeder. Deze wist mij vervolgens te vertellen dat mijn andere opa in het verzet had gezeten en wist nog van enkele ‘acties’ van opa Jan. Maar ook dat hij daarbij gepakt werd en getransporteerd naar het concentratiekamp Dachau. Een goed bewaard familiegeheim wat zelfs mijn moeder niet kende.
Op miraculeuze wijze is hij ook weer ontsnapt uit het concentratiekamp. Als een van de weinigen daarbij niet geëlektrocuteerd door de op stroom staande hekken of doodgeschoten door de kampbewakers.
En is hij vervolgens – enkel in de nacht reizend om niet gepakt te worden en overdag schuilend in de bossen en bij boeren – ook weer naar Nederland teruggekeerd.
Zo ontdekte ik vrij kort na elkaar hoe zeer het leven van mijn beide opa’s (en daaraan gerelateerd twee generaties nadien ook mijn leven) door de oorlog aan een zijden draad heeft gehangen. Beiden keerden echter terug uit Nazi-Duitsland, pakten het leven weer op en gaven het met hun respectievelijke geliefden, mijn oma’s, door.
De eerstgeborenen uit deze beide huwelijken ontmoeten elkaar in juli 1964…en nu zijn we hier…in de twintiger jaren van de volgende eeuw en ben ik na de nodige omzwervingen zelf papa van twee heerlijke zonen van nu vier en twee jaar oud. Want het leven doorgeven, als het je gegeven mag zijn, is wat mij betreft het meest magische.
En voel ik mij in de hervonden verbinding met mijn opa’s extra gegrond in mijn familielijn. Een achterveld met sterke schouders en doorzettingsvermogen; een vechtersmentaliteit als het moet. Met oog, zorg en liefde voor naasten, zij het soms met weinig woorden. Dat neem ik mee in hoe ik het zelf doe en is een belangrijk bron van kracht en compassie. Natuurlijk zijn er ook keerzijden, maar die zijn voor een ander bericht.
Mijn opa’s hadden meer geluk dan vele anderen. Daar sta ik o.a. tijdens de Dodenherdenking heel graag bij stil. Stil voor hen die sterven voor de vrijheid. Stil voor het verlies en het verdriet. Stil voor het leven dat niet mocht worden doorgegeven. En voel ik daarmee ook de plicht om ervoor te gaan en er wat van te maken met elkaar, in alle rollen die ik mag spelen.
